L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Erg lang min één

Wij zijn bang
Ik ben bang
Soms
Soms bang voor het naar huis gaan
zonder zoenen
voor het naar huis gaan
zonder weten
zonder voelen, zonder lief
voor het altijd naar huis gaan
zonder jou
voor het gemis
zonder warmte in mijn bed
zonder kloppen van een hart
met koude handen en koude voeten
wij zijn bang
dat er thuis niks meer zal zijn
dan enkel een huis.

Advertenties


As save as we can be

ik hou u dicht
liefst liefste
ik hou u het veiligst
Zo veilig als we kunnen zijn
Zo
In elkaar van elkaar
als één
massa
een hoop vlees
vergankelijk
zacht en week
wij kloppen en ademen
warmte voor elkaar
door elkaar en
we vergeten
straks ook nog
te stoppen
ik hou u dicht
Liefst liefste
veilig
zo veilig als we kunnen zijn
zo van elkaar.

 



Naar de titel van een kinderboek

Het gaat vaak niet over waar je bent geweest, over hoelang of over wie meeging. Het gaat vaker over hoe diep mensen kunnen duwen in het vlees rondom. Over wat zij betekenden en hoe dat zal rijpen. Het gaat over wie de mensen zijn en welk deel van je hart zij meedragen, welke herinneringen zij voor altijd zullen hebben. Het gaat over wat voor altijd is.

Zij was er vaker niet dan wel en over tijd kunnen we niet schrijven. Tijd laat zich moeilijk vangen in woorden. Net als zij. Zij, samen, noemden de liefde naar de titel van een kinderboek. Een zin met een punt daarachter. Alsof het een kinderspel was, een instinct, een reflex als ademen. Voor alle geliefden die na hem kwamen, zou het altijd een geheim blijven. Het was meer als een begin, zelfs als zij eindigden, begonnen zij opnieuw. Het was als telkens de liefde laten geboren worden. Zij koesterden samen, want dat konden ze.

Hij kon liefhebben als een vaart, zonder stoppen. Zij werd er bang van, soms, bij tijden als het warm genoeg was om ander vlees te zoeken. Liefhebben was zijn ademen. Hij was de liefde zelf, maar het maakte van haar een puinhoop dat ze al te vaak wilde vluchten. Hij vervulde haar wensen, hij was alles wat zij wilde en alles wat zij ooit zou nodig hebben, hij was teveel om van te houden. Zij waren te mooi om te blijven bestaan.

Zij huilde soms als het donkerde en hij vertelde dan aan haar tranen dat liefde soms pijn doet, opdat men nooit zou vergeten wat echt is. Hij vulde haar dromen in en waakte zacht over haar als ze sliep. Zij luisterde naar zijn slaap en kon dan in zijn dromen loeren.

Er dansten lichtjes in zijn ogen als hij naar haar keek. Zij was zijn stukje hemel – als dat bestaat. Zij was zijn lief van hier tot aan de wolken, van hier tot aan de zon en terug. Het wachten en verlangen drukte op haar gemoed, zij was slecht met wachten en slecht met wensen. Ze wenste hem altijd dichtbij, voor altijd.

Zij was hard als het moest, als ze het bonzen van haar hart opzij zette voor het verstand dat krampachtig zijn wil probeerde door te drijven. Hij was daarentegen zacht en zoet, zijn hart week. Zijn zoenen werder liever naarmate de jaren versleten en haar vingers zacht uit zijn krullen begonnen te vallen. Hij hield haar voor zichzelf, of probeerde dat toch. Hij was in de ban van haar, zelfs als ze sliep. Hij kon uren naar het bonzen van haar lippen of het zacht deinen van haar ademen kijken. Ze was nooit echt van hem, al had ze hem haar woord gegeven. Hij was de vogel voor zijn kat. Hij was altijd een beetje verloren.

Zijn kat was haar lieveling, hij spinde, vleide en wreef zijn haren glad aan haar jurkjes. Zij dansten op een briesje, een zomerzoen, een zonnige namiddag in het gras. En als de zon te ver weg was en ze er weemoedig van werd, nam ze de topjes van haar haren en schilderde de hemel blauw en de wolken wollig op zijn buik. Hij sloot dan zijn ogen, zag de zon en voelde haar warmte strelen. Zij droomde van witte stranden, warme rotsen waar de zee zacht tegen aan klotst. Van weinig kleren, van voeten in heet zand, van schelpen zoeken, van veel zoenen op lippen uit de zee.

Zij wisten dat zij voor elkaar leefden, ook al duurden zij niet voor altijd. En dat was hoe het moest zijn, lijkt het. Zo, eindig. Want er zijn dingen die niet meer dan normaal waren. Zoals het meisje dat vrouw werd en de jongen steeds meer man en dat zij stilaan uit hun kleren groeiden, maar ook uit hun liefde. Zij stapten uit hun kinderschoenen en legden het goddelijke naast zich neer op zoek naar wat minder perfectie, naar die ene die niet helemaal was wat men wou.



Gij kunt nog voor iemand leven

Lief

“Ge zijt een kind van uitersten,” zei ze. “Als ge kiest, springt
ge. Gij gooit u in een nieuw verhaal, gij kunt voor iemand leven.”

De kern van wat ze zei was wat mij het meeste raakte. Ik was
voor hem een stukje hemel geweest, of dat gevoel had hij mij gegeven. Van het
begin tot het eind en zelfs nog een stukje daarna. Dat zelfs als wij niet samen
waren, de wereld mocht weten dat hij van mij hield. Zijn ogen blonken en mijn
buik deed pijn van verlangens als hij naar me toe kwam. Hij sliep met mij in,
hij leefde van mij en ik van hem. Ze zegt dat het niets met hem te maken heeft,
dat vroeger. Het is een gevoel waar geen woorden voor zijn, dat niet met de
ratio te vatten is. Het land waar wolken geboren worden, zo noem ik het. Als
in: ‘Je moet er geweest zijn, om te weten hoe schoon het er is.’

Er waren dingen die ik nu nooit zal begrijpen. Hoe ik in jouw
aanwezigheid plots dingen niet meer goed kan en zo afhankelijk word. Nu meer
dan ooit. Dat ik je bijna niet raak, dat ik ga vervelen, soms. En boven alles,
dat jij – in dit leven – mij minst nodig hebt. Ook al hebben wij mensen nodig,
om graag te zien, het lijkt niet sterk genoeg. Het is een liefde die niet nog
eeuwen lijkt te duren.

Het lag in het begin al vast, dat ik nooit jouw wereld zou
zijn. En als ik vraag om harder van me te gaan houden tot het pijn doet, weet
je niet waarover ik het heb. Ik wil anders zijn, ik wil geen keuze zijn maar
een gevoel. Ik wil dat je mij de jouwe noemt, dat ik de jouwe ben – ook al zijn
wij nooit helemaal en onvoorwaardelijk van elkaar. Ik spring als ik kies. Ik
heb lief tot het pijn doet en ik weet dat het soms erg lastig is.

Ik weet al lang dat ik jouw hemel niet ben. Als dat nu niet
zo is, dan is dat straks helemaal niet zo, zegt ze, want liefde slijt een
beetje dus moet je marge hebben. En marge hebben wij niet, ik zie het aan hoe je
het lastig vindt handen vast te houden bij het wandelen, of kusjes te geven als
de wereld het kan zien. Hoe je in je rationaliteit de schoonheid soms vergeet
of de waarde van ons. En hoe verloren dat ik soms ben, dat ik jou zo nodig heb.

Ik ben warm met koude handen. Jij bent warm met muren om je
heen. Ik hou van jou, meer dan ik zou kunnen zeggen, maar ik heb meer nodig dan
dit. Ik geloof dat ik een meisje van gemis ben en van uitersten.

Ik gooi mij in uw armen, zei ze.

Ik kan voor iemand leven.

Mijn Allerliefs



Van alle dingen het meest

Soms zit ik op een trein, naar buiten te staren. Tussen mensen die ik niet ken, mensen met een ander leven, een eigen ander verhaal. Soms lig in een zetel tussen kussens of zit aan een bureau met een hoop papier. Soms ben ik bij vrienden, op een feest misschien. Wij lachen en drinken wijn. Er is eten voorzien, een haard brandt. Er zijn andere liefjes, maar jij niet. Soms gebeurt het als ik nog een beetje nasoes als jij de deur bent uitgegaan om te werken. Dan heb ik je nog vaarwel gezoend, lach ik als je zegt dat ‘de mannen moeten werken en de vrouwen nog even slapen gaan zo vroeg in de morgen’. Soms gebeurt het als ik berichtjes stuur en jij niet antwoordt. Soms gebeurt het voor mijn ogen, vertraagd, als in een droom. Soms gebeurt het in een droom en soms gebeurt het zelfs als jij nog naast me ligt. Soms is het avond en is het leuk geweest, soms ben ik er ook als het gebeurt.

Dan staat de tijd stil. Val ik in duigen, val ik in spatten uiteen. Soms tril en ril ik, soms zijn er geen tranen en soms geloof ik het niet. Soms schreeuw ik en ben ik boos, soms loop ik weg en kom terug. Soms lig ik dagen in bed, maanden, jaren. Soms denk ik wat jij zou willen en soms ben ik bang als ik daaraan denk. Soms ben ik verloren om nooit meer terug te vinden. Jij maakt mij zo hulpeloos. Soms ben ik angstig en vreet het verdriet.

Soms ben ik bang van het verliezen en verloren gaan.
Van alle dingen het meest jou.
Van alle dingen het meest bang.



Brieven 5

Lief

Leven is ademhalen, is liefhebben en vasthouden. Het is doorgaan en durven stilstaan, het is hartelijk kunnen lachen en schuilen bij intens verdriet. Het is zacht lopen op kousenvoeten om het schone niet wakker te maken en het is een stevig tred om beslissingen te nemen. Leven is bloed dat stroomt, een lijf dat ademt en geurt en een hart dat bonst. Leven is durven springen.

Laten we nog niet denken aan het splitsen. Laten we niet denken aan het scheiden. Aan hoe we elkaar zouden herinneren, want een gevoel herinneren we vast niet lang, het zijn de daden die langer blijven bestaan. Maar als je het zou willen weten; ik bewaar alleen mooie dingen. Ik ben verzamelaar. Laten we niet praten over doodgaan en verliezen, ik ben een slechte verliezer en vooral erg bang. En laten we niet praten over wat we nog niet weten, want onzekerheid werkt op mijn gemoed.

Wij zijn als het beste van elk van ons. Liefde duurt langer dan wij denken. Wij duren nog veel langer want wij zijn beter samen dan alleen. Leven is durven springen en ik spring graag met jou.

Mijn liefs

Vogel, de uwe

 



De brieven II

Lief

Ik moet u laten gaan en leren loslaten, dat weet ik. Ik moet ruimte geven om te ademen, om te leven. De wereld in te gaan. Ik mag de deuren niet steeds sluiten en u doen geloven dat ik de enige wereld ben die nog voor u bestaat. Ik moet leren staan, ik moet leren verliezen en het in de ogen kijken, want dan alleen kan ik winnen.

Want ik zou wel willen. Dat ge in mijn haren slaapt en ademt uit mijn nek, dat ge drinkt uit het putje in mijn kin en van op mijn buik luistert naar de verhalen die ik vertel.

Ik moet u laten gaan, zachtjes, tot ge zelf terug komt en ervoor kiest, elke keer opnieuw.
Ik dank u voor uw armen om te missen.

Vogel
De uwe.