L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Ik zal het nooit meer doen.

Ik heb van je gehouden, maar ik weet dat ik het niet meer doe. Het is iets met denken en voelen wat ik nu beter begrijp. En dat tijd nooit wonden zal helen maar alleen het inzicht brengt dat het hart niet kon voelen.

Maar er is gemis. Dat zeker. Het ligt elke morgen naast me in bed, dicht tegen me aan als koude handen en voeten. Het zingt met me mee als ik de nacht in rijd. Het loopt naast me en lacht met mijn grappen. Het belt me nooit en ik ben bijna gestopt met daarop te wachten. Het kan me wakker houden. Het fluistert en is ook erg vaak stil. Ik wen eraan en het aan mij.

Er is een leegte, dat ook. Het echoot als ik er binnen kom. Ik loop er op kousevoeten. Er is lang niemand meer geweest, maar ik laat de deur op een kier. Ik ben niet bang. niet meer. Ik kan de dingen die je me had voorgehouden niet te kunnen.

Alleen zijn ook. Ik kan het. Het valt best mee, het alleen zijn. Maar niet voor lang.

Ik kan een extra paar handen gebruiken. En hoeken van lippen om te zoenen. Ik denk niet dat ik het zal verleren. Je loopt zo weer een hart binnen, maar het laat op zich wachten.

En intussen, ik zeg het je graag. Ik heb erg veel van je gehouden, maar ik weet dat ik het nooit meer zal doen.



Wat ik zou willen dat ge voelde bij ons afscheid

Gij lief mens, zegt ze en ze klopt het verdriet met hopen uit haar jas. Gij schoon mens. Haar ogen kijken uitgelopen zoals de schmink op haar gezicht. Ze is mooi als ze huilt. Niet veel mensen, maar zij wel. En als ze naar me toe komt en haar handen om me heen slaat met haar haren kriebel in mijn gezicht, ruik ik de zee. Een zoute zee vol tranen. Een zee vol verdriet dat ze een klein beetje, hier bij mij, in mijn hart en in mijn handen en in het gemis van haar warmte achterlaat.

ps. Ik laat u los.

Voor het vergeten, omdat we daar nooit goed in zullen zijn.

Voor haar, omdat ze een mooi schoon mens is. en echt. en ze minstens evenveel de ‘ze’ hier kon zijn.



Er zit storing op mijn hart

Er zit storing op mijn hart
en ruis in mijn oren
ik moet dringend naar de zee
huilen.



Zout ge willen

‘Zout ge willen oud worden met mij?’ Ik glimlach en hij trekt zijn mondhoeken wat naar beneden en houdt zijn hoofd schuin. Hij wil zeggen of schreeuwen ‘nee’ of ‘laten we daar nog niet aan denken’ of beter: ‘daar had ik nog nooit aan gedacht’. Oud worden is niets voor hem en soms ook niets voor mij, al tekent de tijd nog niks op onze gezichten af. Hij wacht, blaast de rook uit zijn mond in wolkjes weg en ik teken vraagtekens met mijn ogen in de lucht. ‘Niet oud worden,’ zegt hij met lichtjes in zijn ogen ‘wij blijven Forever Young, hé baby’.



Gij kunt nog voor iemand leven

Lief

“Ge zijt een kind van uitersten,” zei ze. “Als ge kiest, springt
ge. Gij gooit u in een nieuw verhaal, gij kunt voor iemand leven.”

De kern van wat ze zei was wat mij het meeste raakte. Ik was
voor hem een stukje hemel geweest, of dat gevoel had hij mij gegeven. Van het
begin tot het eind en zelfs nog een stukje daarna. Dat zelfs als wij niet samen
waren, de wereld mocht weten dat hij van mij hield. Zijn ogen blonken en mijn
buik deed pijn van verlangens als hij naar me toe kwam. Hij sliep met mij in,
hij leefde van mij en ik van hem. Ze zegt dat het niets met hem te maken heeft,
dat vroeger. Het is een gevoel waar geen woorden voor zijn, dat niet met de
ratio te vatten is. Het land waar wolken geboren worden, zo noem ik het. Als
in: ‘Je moet er geweest zijn, om te weten hoe schoon het er is.’

Er waren dingen die ik nu nooit zal begrijpen. Hoe ik in jouw
aanwezigheid plots dingen niet meer goed kan en zo afhankelijk word. Nu meer
dan ooit. Dat ik je bijna niet raak, dat ik ga vervelen, soms. En boven alles,
dat jij – in dit leven – mij minst nodig hebt. Ook al hebben wij mensen nodig,
om graag te zien, het lijkt niet sterk genoeg. Het is een liefde die niet nog
eeuwen lijkt te duren.

Het lag in het begin al vast, dat ik nooit jouw wereld zou
zijn. En als ik vraag om harder van me te gaan houden tot het pijn doet, weet
je niet waarover ik het heb. Ik wil anders zijn, ik wil geen keuze zijn maar
een gevoel. Ik wil dat je mij de jouwe noemt, dat ik de jouwe ben – ook al zijn
wij nooit helemaal en onvoorwaardelijk van elkaar. Ik spring als ik kies. Ik
heb lief tot het pijn doet en ik weet dat het soms erg lastig is.

Ik weet al lang dat ik jouw hemel niet ben. Als dat nu niet
zo is, dan is dat straks helemaal niet zo, zegt ze, want liefde slijt een
beetje dus moet je marge hebben. En marge hebben wij niet, ik zie het aan hoe je
het lastig vindt handen vast te houden bij het wandelen, of kusjes te geven als
de wereld het kan zien. Hoe je in je rationaliteit de schoonheid soms vergeet
of de waarde van ons. En hoe verloren dat ik soms ben, dat ik jou zo nodig heb.

Ik ben warm met koude handen. Jij bent warm met muren om je
heen. Ik hou van jou, meer dan ik zou kunnen zeggen, maar ik heb meer nodig dan
dit. Ik geloof dat ik een meisje van gemis ben en van uitersten.

Ik gooi mij in uw armen, zei ze.

Ik kan voor iemand leven.

Mijn Allerliefs



Van alle dingen het meest

Soms zit ik op een trein, naar buiten te staren. Tussen mensen die ik niet ken, mensen met een ander leven, een eigen ander verhaal. Soms lig in een zetel tussen kussens of zit aan een bureau met een hoop papier. Soms ben ik bij vrienden, op een feest misschien. Wij lachen en drinken wijn. Er is eten voorzien, een haard brandt. Er zijn andere liefjes, maar jij niet. Soms gebeurt het als ik nog een beetje nasoes als jij de deur bent uitgegaan om te werken. Dan heb ik je nog vaarwel gezoend, lach ik als je zegt dat ‘de mannen moeten werken en de vrouwen nog even slapen gaan zo vroeg in de morgen’. Soms gebeurt het als ik berichtjes stuur en jij niet antwoordt. Soms gebeurt het voor mijn ogen, vertraagd, als in een droom. Soms gebeurt het in een droom en soms gebeurt het zelfs als jij nog naast me ligt. Soms is het avond en is het leuk geweest, soms ben ik er ook als het gebeurt.

Dan staat de tijd stil. Val ik in duigen, val ik in spatten uiteen. Soms tril en ril ik, soms zijn er geen tranen en soms geloof ik het niet. Soms schreeuw ik en ben ik boos, soms loop ik weg en kom terug. Soms lig ik dagen in bed, maanden, jaren. Soms denk ik wat jij zou willen en soms ben ik bang als ik daaraan denk. Soms ben ik verloren om nooit meer terug te vinden. Jij maakt mij zo hulpeloos. Soms ben ik angstig en vreet het verdriet.

Soms ben ik bang van het verliezen en verloren gaan.
Van alle dingen het meest jou.
Van alle dingen het meest bang.



+

Ze miste zijn schouder om op te huilen, het deinen van zijn naakte slaap, het krullen van zijn haren, de liefde tussen hen in… ze geloofde niet in afscheid nemen, er is alleen een nieuw begin.