L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Ik zal het nooit meer doen.

Ik heb van je gehouden, maar ik weet dat ik het niet meer doe. Het is iets met denken en voelen wat ik nu beter begrijp. En dat tijd nooit wonden zal helen maar alleen het inzicht brengt dat het hart niet kon voelen.

Maar er is gemis. Dat zeker. Het ligt elke morgen naast me in bed, dicht tegen me aan als koude handen en voeten. Het zingt met me mee als ik de nacht in rijd. Het loopt naast me en lacht met mijn grappen. Het belt me nooit en ik ben bijna gestopt met daarop te wachten. Het kan me wakker houden. Het fluistert en is ook erg vaak stil. Ik wen eraan en het aan mij.

Er is een leegte, dat ook. Het echoot als ik er binnen kom. Ik loop er op kousevoeten. Er is lang niemand meer geweest, maar ik laat de deur op een kier. Ik ben niet bang. niet meer. Ik kan de dingen die je me had voorgehouden niet te kunnen.

Alleen zijn ook. Ik kan het. Het valt best mee, het alleen zijn. Maar niet voor lang.

Ik kan een extra paar handen gebruiken. En hoeken van lippen om te zoenen. Ik denk niet dat ik het zal verleren. Je loopt zo weer een hart binnen, maar het laat op zich wachten.

En intussen, ik zeg het je graag. Ik heb erg veel van je gehouden, maar ik weet dat ik het nooit meer zal doen.

Advertenties


Aan de doden uit mijn slaap

Aan de doden uit mijn slaap
Zei ik dat de tijd ons nog zou redden
Dat ik slaap, dat ik graag
Nog even slaap, zonder sterven
Aan mij
Zei zij dat alleen de tijd ons nog redden zou
Maar ik hou van jou, ik hou
De doden uit mijn slaap.

 



I felt the cold sea kiss my skin

Er staan letters in bloed
geschreven op het blad dat
alweer gedroogd is.
Zijn naam. Het beginnen
is het moeilijkst, op eindigen
en vergeten na.
En ik zing, soms, mijn dodenlied.
Over de vloek die op mijn aderen rust. Een liefde,
verbolgen in de koude grond, een ziel
die de aarde kust. En blijft.
En de deur kraakt als
het verkreukelen van mijn hart, en het
hijgt, het spuwt en kreunt.
En ik zing nog.



Who will comfort me?

In wiens armen kon ik huilen, met wie kon ik dromen ruilen en levens wisselen. Wiens vingers mocht ik lenen, voor het strelen in mijn haar, wanneer ik ’s avond laat zachtjes mijn slaap lag in te huilen. Voor wie had ik moeten opstaan, in de ochtend, als jij er niet meer was?

Toen je wonden had gesneden, hier tussen mijn toen en het straks. Wanneer ik pijn had geleden, bloed verloor en een hart. Wanneer ik dramatisch en ongecontroleerd mezelf verloor. En toen ik daarna mijn eigen liefde smeedde en de wonden langzaam zijn dichtgegroeid. Toen ik het huis vond waar mijn liefde zoek was geraakt, een nieuw bed kocht, en nieuw dons.

Nu de boom die onze liefde kende, langzaam is gespleten en boog voor nieuw geweld. Ik dacht dat bomen minstens eeuwen leefden. Nu die wonden oude wonden zijn geworden en nieuwe lippen mijn slaap haar dromen kust. Nu letters soms niet meer weten welke woorden moeten gevormd, welke zinnen wij moeten spreken. Nu ik in die armen vind wat zoek was: mijn rust.

Nu ik liever nu ben, dan straks,
ben jij nog steeds toen.