L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Wat ik zou willen dat ge voelde bij ons afscheid

Gij lief mens, zegt ze en ze klopt het verdriet met hopen uit haar jas. Gij schoon mens. Haar ogen kijken uitgelopen zoals de schmink op haar gezicht. Ze is mooi als ze huilt. Niet veel mensen, maar zij wel. En als ze naar me toe komt en haar handen om me heen slaat met haar haren kriebel in mijn gezicht, ruik ik de zee. Een zoute zee vol tranen. Een zee vol verdriet dat ze een klein beetje, hier bij mij, in mijn hart en in mijn handen en in het gemis van haar warmte achterlaat.

ps. Ik laat u los.

Voor het vergeten, omdat we daar nooit goed in zullen zijn.

Voor haar, omdat ze een mooi schoon mens is. en echt. en ze minstens evenveel de ‘ze’ hier kon zijn.

Advertenties


Zout ge willen

‘Zout ge willen oud worden met mij?’ Ik glimlach en hij trekt zijn mondhoeken wat naar beneden en houdt zijn hoofd schuin. Hij wil zeggen of schreeuwen ‘nee’ of ‘laten we daar nog niet aan denken’ of beter: ‘daar had ik nog nooit aan gedacht’. Oud worden is niets voor hem en soms ook niets voor mij, al tekent de tijd nog niks op onze gezichten af. Hij wacht, blaast de rook uit zijn mond in wolkjes weg en ik teken vraagtekens met mijn ogen in de lucht. ‘Niet oud worden,’ zegt hij met lichtjes in zijn ogen ‘wij blijven Forever Young, hé baby’.



Take me far



Voor een afscheid dat niet het mijne is.

De laatste zeven stenen van een thuis liggen te staren en fluisteren zachtjes de namen van zij die hier laatst waren. De paden door de tuin zijn allang bedekt met sneeuw en verbergen de smart van een hof dat ooit zomerliefdes kende.
Ooit dansten de gordijnen in de zomer op het briesje dat door de open ramen naar binnen drong maar sloten in de winter. Voorgoed, bleek dan.
Zij had het licht laten branden voor de mooie momenten, zodat hij kon zien wat hij zich moest herinneren.
Zijn lichaam bonst en geurt, ademt door spleten, kreunt en kronkelt en onder elk van zijn tenen lagen hier ooit de stenen van zijn paradijs.
Hij slaapt allang niet meer in het bed die er staat, maar fluistert soms zacht haar naam en hoopt dat de wind hem een handje helpt.
Al wat bleef zijn kamers gevuld met dromen en herinneringen als behang aan de muur, met hier en daar vlekken waar de tranen vloeiden, en barsten waar de weemoed zong.
Zijn gemis rook naar vallen en weer opstaan, naar snot en slijm en bij tijden naar de kiem van een ongeboren kind dat de schoot wordt uitgeworpen, als een liefde die vergeten wordt.
Maar zij als de zijne was – in de kus in haar hand, in de lucht op zijn wang – al lang gestorven.

Voor een afscheid dat niet het mijne is.
Omdat afscheid niet bestaat.

Foto: Nelly Valkova


I felt the cold sea kiss my skin

Er staan letters in bloed
geschreven op het blad dat
alweer gedroogd is.
Zijn naam. Het beginnen
is het moeilijkst, op eindigen
en vergeten na.
En ik zing, soms, mijn dodenlied.
Over de vloek die op mijn aderen rust. Een liefde,
verbolgen in de koude grond, een ziel
die de aarde kust. En blijft.
En de deur kraakt als
het verkreukelen van mijn hart, en het
hijgt, het spuwt en kreunt.
En ik zing nog.



Confiteris Deo omnipotenti
15/09/2010, 18:24
Filed under: gedacht, geschreven | Tags: , ,
Beste meneer de priester

‘Uw kinderen’ zijn uw kinderen niet. En zelfs ons eigen kinderen zijn de onze slechts gedeeltelijk. Het was uw hand die ook bij mij de Heilige Geest heeft aangebracht. Ik heb hem gisteren aan de deur gezet. Dit is het begin van mijn betere wereld, een brief aan u. Ik hoop dat u zich vereerd voelt met dit gebaar, voor deze woorden die ik nog richt tot u.
Ik weet niet waar u in gelooft. Ik dacht dat het een wereld was, waarvoor uw christus bereid was te sterven. Ook voor uw zonden, is hij gestorven (uw zonden, en met die zonden al het leed dat die hebben berokkend). Ik denk niet dat hij het zou overdoen, mocht hij weten wat in zijn huis van vertrouwen gebeurt. Het is het huis waar zijn woord hoort te beschermen. Het huis waar de mensen zijn veiligheid, geborgenheid… hun gehele geloof gaan zoeken. Zo ziet men dat zelfs dikke muren, grote poorten, en hoge ramen de vuiligheid niet buiten houden.
Voor allen onder ons die geloofden in die god waarvan u het woord hoort te verspreiden, voor allen onder ons die graag dat woord hadden verspreid en daarvoor bereid waren zoveel op te geven, voor de kleinen onder ons, en de groten, voor de ontgoocheling en het verdriet. Voor de geheimen in de harten van diegenen die nog niet spraken, voor hen die nooit zullen spreken. Voor hun levens die nooit meer hetzelfde waren, voor hun jeugd, voor hun toekomst. Ik dank u niet.
U mag nog een tijd in het verborgene blijven, wij betalen u daar immers voor. Zij die geloven in een wereld zonder mensen zoals u, zij betalen uw verborgenheid. En u bent vast dankbaar. Ik kan niet helemaal met zekerheid zeggen wat er staat te gebeuren, mocht men u zien. Maar dat de mensen niet meer vertrouwen, dat ziet zelfs u. U bent nooit goed genoeg om uw verlossing te verdienen. Hoe verborgen u ook bent, hoe schijnbaar het u spijt, of ook niet.
Ik hoop dat zij – in hun harten onder hun lange kleren en blinkende juwelen – ontgoocheld zijn, in hun eeuwenlange instituut dat de mensen aanvankelijk moest helpen, maar dat nooit echt deed. Het geloof heeft geen mannen nodig die zich naar andere mannen noemen. Die alles opgeven voor een leven gewijd aan een hoopje lucht en bladzijden vol piepkleine letters. Het geloof heeft geen poorten nodig die ’s nachts sluiten voor diegene die kou hebben. Het geloof heeft geen rijkdom nodig, want de rijkdom is het geloof zelf.
Nu, en morgen en de dagen daarna, leeft hun geloof in de harten van de mensen. Het enige geloof wat bestaat, hun overtuiging. En wat die overtuiging ook is, zij zullen allemaal beamen dat u heeft gefaald. En uw god is vast driemaal niet trots.

Ik wens u niet dichtbij.
Blijft u dus maar ver.



Lang zal ik leven

Ik weet
Dat je straks weer aan het verjaren gaat
Dat er taart zal zijn
met telbare kaarsen en gezang
Dat er jaren zullen komen en de jaren
Waarin ik niet meer besta
Dat er getrouwd zal worden
En kinderen geboren
Dat er nieuws zal komen
En weer gaan
Weet
Dat ik er niet zal zijn
Voor wensen noch voor kussen
Voor zoenen, zoals ik deed
Dat ook voor mij
Jaren komen en gaan,
dat er bloemen zullen zijn,
dat ik zal lachen
en huilen, en dat zonder jou
maar met handen in mijn haren
en liefs op mijn hart.
Dat ik de jaren zal nemen
Onvoorwaardelijk liefde geven
En gelukkig oud word.
Lang zal ik leven.