L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Erg lang min één

Wij zijn bang
Ik ben bang
Soms
Soms bang voor het naar huis gaan
zonder zoenen
voor het naar huis gaan
zonder weten
zonder voelen, zonder lief
voor het altijd naar huis gaan
zonder jou
voor het gemis
zonder warmte in mijn bed
zonder kloppen van een hart
met koude handen en koude voeten
wij zijn bang
dat er thuis niks meer zal zijn
dan enkel een huis.

Advertenties


Wat ik zou willen dat ge voelde bij ons afscheid

Gij lief mens, zegt ze en ze klopt het verdriet met hopen uit haar jas. Gij schoon mens. Haar ogen kijken uitgelopen zoals de schmink op haar gezicht. Ze is mooi als ze huilt. Niet veel mensen, maar zij wel. En als ze naar me toe komt en haar handen om me heen slaat met haar haren kriebel in mijn gezicht, ruik ik de zee. Een zoute zee vol tranen. Een zee vol verdriet dat ze een klein beetje, hier bij mij, in mijn hart en in mijn handen en in het gemis van haar warmte achterlaat.

ps. Ik laat u los.

Voor het vergeten, omdat we daar nooit goed in zullen zijn.

Voor haar, omdat ze een mooi schoon mens is. en echt. en ze minstens evenveel de ‘ze’ hier kon zijn.



05/08/2011, 09:31
Filed under: leven, Liefde | Tags: ,

Er zijn dagen waarover niets te vertellen valt. Zelfs niet over hoe het licht in de kamer binnen valt, want dat is lang geleden. Het regent alleen maar. Vochtigheid reist snel, komt binnengewaaid en kruipt door spleten het huis in. Ik voel het aan het papier op de bureau en ’s ochtends aan de lakens in mijn bed. Het is te warm om met dons te slapen. Het is nooit te warm voor een lief in mijn bed, mijn voeten hebben altijd koud. Er is vaak niets om te vertellen, ik wacht alleen maar, ik leef.



Van alle dingen het meest

Soms zit ik op een trein, naar buiten te staren. Tussen mensen die ik niet ken, mensen met een ander leven, een eigen ander verhaal. Soms lig in een zetel tussen kussens of zit aan een bureau met een hoop papier. Soms ben ik bij vrienden, op een feest misschien. Wij lachen en drinken wijn. Er is eten voorzien, een haard brandt. Er zijn andere liefjes, maar jij niet. Soms gebeurt het als ik nog een beetje nasoes als jij de deur bent uitgegaan om te werken. Dan heb ik je nog vaarwel gezoend, lach ik als je zegt dat ‘de mannen moeten werken en de vrouwen nog even slapen gaan zo vroeg in de morgen’. Soms gebeurt het als ik berichtjes stuur en jij niet antwoordt. Soms gebeurt het voor mijn ogen, vertraagd, als in een droom. Soms gebeurt het in een droom en soms gebeurt het zelfs als jij nog naast me ligt. Soms is het avond en is het leuk geweest, soms ben ik er ook als het gebeurt.

Dan staat de tijd stil. Val ik in duigen, val ik in spatten uiteen. Soms tril en ril ik, soms zijn er geen tranen en soms geloof ik het niet. Soms schreeuw ik en ben ik boos, soms loop ik weg en kom terug. Soms lig ik dagen in bed, maanden, jaren. Soms denk ik wat jij zou willen en soms ben ik bang als ik daaraan denk. Soms ben ik verloren om nooit meer terug te vinden. Jij maakt mij zo hulpeloos. Soms ben ik angstig en vreet het verdriet.

Soms ben ik bang van het verliezen en verloren gaan.
Van alle dingen het meest jou.
Van alle dingen het meest bang.



hier niet

Ik zag het, aan de letters die ze koos, dat ze mij hier had gezocht. Tussen de proppen op de grond en de nog lauwe warmte in mijn bed. Het is al een tijd geleden, lang genoeg om het bijna niet te zijn vergeten. Ze dacht dat ik mezelf hier in woorden op de muren had geschreven, dat deze kamer de kamer van mijn ziel was. Al wist ik niet precies waarin ze geloofde, ik wist ook nauwelijks wie ze was.

Misschien kwam zij hem hier zoeken, ooit. Al had ze moeten weten, dat hij nooit lang is gebleven. Dat hij zacht was en hard als dat moest. Of zij kwam de leegte lezen, alsof er in de kamer een liefde hing die zij nog moest leren. Daar twijfelde ik niet aan. Zij kwam misschien die liefde stelen, zacht luisteren hoe het strelen gaat, hoe hij houdt van zoenen en hoe te vrijen opdat hij langer zou blijven. Zacht en liefelijk en nog en nog en vooral niet te stoppen. Want stoppen is als doodgaan.

Misschien kwam zij zoeken hoe het verdwijnen gaat als hij de deur uit gaat, hoe wreed de liefde is die zij niet kent. De liefde die ik ben. Misschien verwachtte zij het hele verhaal, als een mythe – een erg mooi en triest verzinsel – waar men van wegdroomt maar nooit bewaarheid. Misschien waren wij, en zullen wij nog erg lang zijn, een verhaal in een paar hoofden, net genoeg om voor altijd te bestaan.

Zij ademde de lucht die ik voor mezelf had bewaard, ze keek naar wat van hem was overgebleven en voorzichtig gestapeld in de kast dat hij voor deze kamer had gebouwd. Ze keek naar de vlek op de muur, volmaakt rond als een einde dat ik had geschapen. Zij luisterde naar wat zij niet verstond en wachtte misschien op mijn terugkeer. Ze zag niet dat ik de liefde meenam een andere kamer in, liefde herwon, bezong en vermenigvuldigde en dat ik herbegon.

Ze is niet lang gebleven, de klok is blijven stilstaan, zie ik nu. Zij kwam en keek en vond alleen de leegte waarmee ze was gekomen, de rest was voor haar onvindbaar.

 



zachtjes

“(her)beginnen is het moeilijkst, op eindigen en vergeten na.”

Maar ik hou van jou
zachtjes
nog en nog en nog




Voor een afscheid dat niet het mijne is.

De laatste zeven stenen van een thuis liggen te staren en fluisteren zachtjes de namen van zij die hier laatst waren. De paden door de tuin zijn allang bedekt met sneeuw en verbergen de smart van een hof dat ooit zomerliefdes kende.
Ooit dansten de gordijnen in de zomer op het briesje dat door de open ramen naar binnen drong maar sloten in de winter. Voorgoed, bleek dan.
Zij had het licht laten branden voor de mooie momenten, zodat hij kon zien wat hij zich moest herinneren.
Zijn lichaam bonst en geurt, ademt door spleten, kreunt en kronkelt en onder elk van zijn tenen lagen hier ooit de stenen van zijn paradijs.
Hij slaapt allang niet meer in het bed die er staat, maar fluistert soms zacht haar naam en hoopt dat de wind hem een handje helpt.
Al wat bleef zijn kamers gevuld met dromen en herinneringen als behang aan de muur, met hier en daar vlekken waar de tranen vloeiden, en barsten waar de weemoed zong.
Zijn gemis rook naar vallen en weer opstaan, naar snot en slijm en bij tijden naar de kiem van een ongeboren kind dat de schoot wordt uitgeworpen, als een liefde die vergeten wordt.
Maar zij als de zijne was – in de kus in haar hand, in de lucht op zijn wang – al lang gestorven.

Voor een afscheid dat niet het mijne is.
Omdat afscheid niet bestaat.

Foto: Nelly Valkova