L' Oiseau En Cage Revera des Nuages


Lang zal ik leven

Ik weet
Dat je straks weer aan het verjaren gaat
Dat er taart zal zijn
met telbare kaarsen en gezang
Dat er jaren zullen komen en de jaren
Waarin ik niet meer besta
Dat er getrouwd zal worden
En kinderen geboren
Dat er nieuws zal komen
En weer gaan
Weet
Dat ik er niet zal zijn
Voor wensen noch voor kussen
Voor zoenen, zoals ik deed
Dat ook voor mij
Jaren komen en gaan,
dat er bloemen zullen zijn,
dat ik zal lachen
en huilen, en dat zonder jou
maar met handen in mijn haren
en liefs op mijn hart.
Dat ik de jaren zal nemen
Onvoorwaardelijk liefde geven
En gelukkig oud word.
Lang zal ik leven.



18/08/2010, 14:22
Filed under: Uncategorized

Wij keken naar de sterren en hij zei dat het niet erg slim zou zijn, ervan uit te gaan dat wij de enige levende wezens waren in dat hoopje niks. In die luchtledigheid rondom ons, in dat onbekende en schijnbaar oneindige. Ik kan er nog steeds niet bij, waar wij stoppen en het niks begint en waar dat dan weer eindigt. Het was een mooie avond, hij mocht een ster kiezen. Hij koos de blauwe en ik lachte.



Over de vogel in het kooitje

Dat ik werd geboren. Dat ik ademde, leefde. Dat bloed stroomde en een hart bonkte. Dat ik sindsdien soms verloren loop en de weg terug vind. Dagen tel, jaren. Dat ik houd, van en met. Dat ik van hem houd. Dat het vaststaat. Zo vast als nooit iets tevoren stond. En dat vast eigenlijk nooit absoluut bestaat.

Ik wilde het graag vertellen, die dingen. Over een leven dat ik was, een leven dat ik had. Het leven dat is met de liefde die het kent. Soms schrijf ik in herhaling, voor de duidelijkheid, denk ik dan, maar het lijkt alleen nog warriger te worden. En dat ik die ‘soms’ ook afvraag wie dit leest, wat ze voelen, hoe ze  het – wat hier te lezen staat – van zichzelf maken. Hoe ze zich spiegelen in woorden die ik schrijf, letters die van ons allemaal zijn.  Een taal die wij begrijpen, hoe gebrekkig en schaars de woorden ook zijn.

Soms vroeg iemand of ik het erg vond, hier te schrijven wat ik voel, wie ik ben. Om mijn lichaam van glas en mijn ziel van iedereen te maken. Dat is allesbehalve wat gebeurd, antwoord ik dan. Ik schrijf, letters en woorden in een volgorde dat ze leesbaar en begrijpbaar worden. Associeerbaar, wendbaar, gevoelig. En dat men het leest, zoals men het zelf voelt, niet zoals het mijne. Dat zij het iets van hen maken dat niet meer lijkt op wat het was voor mij.

Soms vroeg ik me dan af hoe dit zou eindigen of minstens waar het heen zou gaan. Dat ik graag zou schrijven. Dingen creëren om mensen te raken. Dat, dat het liefste is wat ik wou. Misschien en hoogst waarschijnlijk. Maar dat ik nooit verder zou vliegen, dan in dit virtuele hol, een kooitje met een te grote sleutel.



Omdat ik lijfelijk ben

Lijfelijk was ze er niet vaak
Ik zocht ze tussen de lijnen die waren te lezen
Ze verschool zich tussen de letters,
waar ze bijna onzichtbaar was geworden
Soms giechelde ze zacht en wiegden de woorden
als waren de kleren die haar bijeenhielden.
Als ze zich toch toonde, zo openbaar,
hield ze haar hart in haar handen
En haar liefde bewaarde ze in het kuiltje in haar buik,
Als het bewijs van haar bestaan,
Dat zij echt was.
Ik was altijd op zoek naar echte dingen,
Echte mensen
Zo vond ik haar.

Voor Roodborstje Tikt

en zij schreef wat moois terug…



Who will comfort me?

In wiens armen kon ik huilen, met wie kon ik dromen ruilen en levens wisselen. Wiens vingers mocht ik lenen, voor het strelen in mijn haar, wanneer ik ’s avond laat zachtjes mijn slaap lag in te huilen. Voor wie had ik moeten opstaan, in de ochtend, als jij er niet meer was?

Toen je wonden had gesneden, hier tussen mijn toen en het straks. Wanneer ik pijn had geleden, bloed verloor en een hart. Wanneer ik dramatisch en ongecontroleerd mezelf verloor. En toen ik daarna mijn eigen liefde smeedde en de wonden langzaam zijn dichtgegroeid. Toen ik het huis vond waar mijn liefde zoek was geraakt, een nieuw bed kocht, en nieuw dons.

Nu de boom die onze liefde kende, langzaam is gespleten en boog voor nieuw geweld. Ik dacht dat bomen minstens eeuwen leefden. Nu die wonden oude wonden zijn geworden en nieuwe lippen mijn slaap haar dromen kust. Nu letters soms niet meer weten welke woorden moeten gevormd, welke zinnen wij moeten spreken. Nu ik in die armen vind wat zoek was: mijn rust.

Nu ik liever nu ben, dan straks,
ben jij nog steeds toen.



Andere ogen, alstublief

Ze had de dingen graag anders gezien, door de ogen van een ander. Andere ogen om te zien hoe breekbaar schoonheid is, en hoe schoon het breekbare, het onaffe, het klein en simpele. Ze had graag een paar ogen geleend om te zien wie zij was en hoe mooi zij samen rijmden.



Ik dank u, voor die armen om te missen

Ik dank u
Voor die haren die ik vind
bij het ontwaken van mijn bed
voor die twee borden op de tafel
als ik de koffie zet

Voor die woorden die Ge
niet vaak, maar oprecht en genegen
op mijn lippen drukt
wanneer ge kust

Voor de wegen
Naar mijn hart
Voor dat alles, de passie en de rust

voor het vergeten van de tijd
en het verdriet in mijn ogen
bij elk afscheid

ik dank u,
voor die liefde
die ik nog vaak niet begrijp